Laboratorium specifiek

 






Biologische veiligheid


Korte omschrijving

Biologische veiligheid is het totaalpakket van maatregelen dat is opgesteld om, wanneer je werkt met biologisch materiaal, schade aan milieu en mensen tot het uiterste te beperken. Daarbij zijn een drietal groepen van biologisch materiaal te onderscheiden:

  • Biologische agentia (BA)
    Micro-organismen, parasieten, en mogelijk micro-organismen en parasieten bevattend plantaardig, dierlijk en menselijk materiaal (bloed, cellen, urine, feces), die risico's met zich meebrengen als de mens eraan wordt blootgesteld.
  • Genetisch Gemodificeerde Organismen (GGO's)
    Organismen waarvan het genetisch materiaal is veranderd op een wijze die van nature niet mogelijk is door voortplanting en recombinatie. Ook bezitten deze GGO's het vermogen dat genetisch materiaal te vermenigvuldigen of over te dragen.
  • Plantenpathogenen/quarantaine organismen (PP/QO)
    Plantpathogenen zijn organismen (micro-organismen, maar ook parasieten, nematoden, insecten, mijten) die schadelijk zijn voor planten. Die plantpathogenen die niet in Nederland voorkomen en mogelijk schadelijk zijn voor de inheemse planten vallen ook nog onder de quarantaine- organismen. Hieronder valt ook uitheems plantaardig materiaal dat met deze organismen besmet kan zijn.

Natuurlijk komen ook combinaties voor: bijvoorbeeld PP of BA die in het laboratorium genetisch gemodificeerd zijn.   



Plantaardig materiaal op scheut-inducerend medium na behandeling met GGO's.

Risico's

Bij het werken met of blootstelling aan BA, GGO's en PP/QO kunnen op twee niveaus schadelijke effecten optreden:

  1. Gezondheidseffecten bij de laboratoriumwerkerVoorbeelden: infectie, allergie of vergiftiging. Het effect is afhankelijk van onder andere de pathogeniteit, de blootstellingroute en de immunologische conditie van de werker. Dit speelt vooral bij BA.
  2. Effecten van het organisme op het milieu.
    Ieder gebied kent een natuurlijk evenwicht op het niveau van verschillende organismen. Introductie van GGO's, BA en PP/QO dient te worden beoordeeld op de kans van overdracht van genetisch materiaal naar andere organismen, op de overlevingskans en op de snelheid van verspreiding van het organisme in het milieu buiten het laboratorium. Bij PP is met name de potentiële verspreiding van pathogene organismen onder vatbare (cultuur)gewassen van belang.

Maatregelen
Het werken met BA, GGO's en PP/QO is aan strenge wettelijke veiligheidseisen gebonden. Zo is er de Arbo-wet ter bescherming van de mensen die met BA werken, de VROM-wetgeving ter bescherming van het milieu tegen GGO's en de regels van de Plantenziektenkundige Dienst voor het importeren van en werken met PP/QO. De praktische uitwerking van de wettelijke eisen die gelden voor Wageningen Universiteit staan beschreven in het `Handboek Biologische Veiligheid Wageningen Universiteit'. 

De beheersmaatregelen die veilig werken moeten garanderen zijn:

  • biologische inperking: het zodanig modificeren van het organismen dat de pathogeniteit is verlaagd of de kans op overleving buiten het laboratorium is teruggebracht;
  • fysische inperking: door het gebruik van speciale laboratoriumruimtes, speciale apparatuur en specifieke inrichting van de ruimtes er voor zorgen dat BA, GGO's en PP/QO zich niet buiten deze ruimte kunnen verspreiden;
  • gebruik van werkvoorschriften: aangeven welke handelingen je wel en niet mag uitvoeren en welke beschermingsmiddelen je moet gebruiken.

            
Inperkingsvoorschriften bij een plantenkas met GGO's.

Organisatie
Wanneer je als student aan een project begint krijg je in de eerste plaats te maken met de verantwoordelijk medewerker (VM) van dat project. Deze is verantwoordelijk voor het aanvragen van de benodigde vergunningen en het beoordelen en instrueren van projectmedewerkers en studenten.

Verder is er per leerstoelgroep of gebouw (waar meerdere VM's kunnen werken) een locatievertegenwoordiger/ contactpersoon aangesteld die zorgt voor de juiste ruimtes en apparatuur om de benodigde inperking te realiseren. Samen met de VM maakt de locatievertegenwoordiger/ contactpersoon de werkvoorschriften voor de locatie en de specifieke projecten.

Voor toezicht op de werkzaamheden met GGO's, BA en PP/QO en begeleiding van de VM's zijn er bij Wageningen Universiteit een tweetal deeltijd BVF-en (biologische veiligheidsfunctionarissen) aangesteld bij die departementen waar regelmatig werkzaamheden plaats vinden met GGO's, biologische agentia en plantenpathogenen, te weten:.

  • Walter van Dongen, departement Agrotechnologie en Voedingswetenschappen, T 0317 48 38 59/ 48 37 28 
  • Dick Verduin, departement Plantenwetenschappen, T 0317 48 30 93
  • Bovenstaande personen zijn ook de contactpersonen als het gaat om toezicht op werkzaamheden met dieren.

 

Top 



Werken met biologische agentia

Korte omschrijving
Biologische agentia zijn ingedeeld in vier klassen op basis van toenemende pathogeniteit en afnemende mogelijkheden ter voorkoming van infecties.

Klasse

Kenmerken

Klasse 1

Micro-organismen en parasieten, waarvan het onwaarschijnlijk is dat ze een ziekte zullen veroorzaken

Klasse 2

Micro-organismen en parasieten, die ziekte kunnen veroorzaken, maar waarvan de verspreiding onwaarschijnlijk is en waarvoor een effectieve profylaxe of behandeling beschikbaar is.

Klasse 3

Micro-organismen en parasieten, die zich kunnen verspreiden en ernstige ziekte kunnen veroorzaken, maar waarvoor een effectieve profylaxe en behandeling beschikbaar is.

Klasse 4

Micro-organismen en parasieten, die een grote kans op verspreiding hebben en een ernstige ziekte kunnen veroorzaken waarvoor geen effectieve profylaxe of behandeling bestaat.






  





In welke klasse een micro-organisme valt, kun je vinden in de Europese Richtlijnen die de basis vormen voor Nederlandse wetgeving. Die wetgeving is uitgewerkt in het arbo-informatieblad AI-9, Biologische agentia en in het boekje `Veilig werken met micro-organismen, parasieten en cellen in laboratoria en andere werkruimten' van de Nederlandse Vereniging voor Microbiologie. Deze informatie is aanwezig bij de Verantwoordelijk Medewerker (VM) van elke leerstoelgroep waar men werkt met BA, GGO's en PP.

Risico's
Het betreft hier voornamelijk risico's voor de mens. Blootstelling aan biologische agentia kan infecties, allergie en vergiftiging tot gevolg hebben.

Maatregelen
Bij de biologische agentia staat de bescherming van de mens voorop. De beheersmaatregelen zijn opgesteld door de wijze wáárop het agens het lichaam binnen kan komen én de klasse waarin het agens is ingedeeld.
Bij blootstelling worden drie routes onderscheiden:

  1. opname via het spijsverteringskanaal;
  2. directe opname via al dan niet intacte huid;
  3. opname via de luchtwegen.

 Opname via deze routes kun je voorkomen door respectievelijk:

  1. niet te eten en te drinken in de laboratoria en geen handen en overig materiaal in de mond steken;
  2. het dragen van handschoenen, bril of gelaatscherm en beschermende kleding;
  3. vorming en inademing van aerosolen te voorkomen  door te werken in een veiligheidskabinet waar een luchtstroom de laboratoriumwerker beschermd tegen het agens.

Wanneer je werkt met klasse 1 biologische agentia is het werken met veilige microbiologische technieken afdoende (zie ook: VMT werkvoorschriften...). De laboratoria zijn goed schoon te houden en de werkvoorschriften houden rekening met het voorkomen van verspreiding.  

Als je werkt met klasse 2 biologische agentia is het verplicht in een veiligheidskabinet te werken om eventueel optredende aerosolen in te perken. Deze werkzaamheden dienen bij de Arbeidsinspectie te worden gemeld.
  


Een veiligheidskabinet is verplicht als je werkt met klasse 2 biologische agentia.
  
Voor het werken met klasse 3 of hoger is het noodzakelijk dat je naast de veiligheidskabinet werkt in een speciaal laboratorium met onderdruk, om verspreiding naar buiten in te beperken. De lucht van de ruimte wordt via Hepa-filters naar buiten gebracht. Er zijn slechts enkele ruimtes binnen Wageningen UR waar je mag werken met klasse 3 pathogenen. Als student zal je daarmee niet snel in aanraking komen. 

Alle ruimtes waarin met biologische agentia klasse 2 of hoger wordt gewerkt, Zijn te herkennen aan het  biorisicoteken op de deur.


 Waarschuwingsteken voor biorisico.
 

Voor ieder onderzoek met een bepaalde klasse agens zijn beheersmaatregelen en werkvoorschriften opgesteld toegespitst op de locatie. Vraag er naar bij de locale VM. Tevens is op de deur van de inperkingruimte aangegeven om welke agentia het gaat, bijzondere risico's, vereiste bescherming en procedures voor het betreden en het verlaten van de ruimte.

Top 


 

Werken met genetisch gemodificeerde organismen

Korte omschrijving
Genetisch gemodificeerde organismen (GGO's) zijn organismen waarvan het genetisch materiaal is veranderd op een wijze die van nature (door voortplanting en recombinatie) niet mogelijk is. Tevens bezitten zij het vermogen dat genetisch materiaal te vermenigvuldigen of over te dragen. Bijvoorbeeld verandering door recombinant DNA-technieken, celfusietechnieken en directe introductie van genetisch materiaal (micro-injectie).

Risico's
Aan genetische modificatie zijn de volgende risico's voor mens en milieu verbonden:

  • Door verandering in genetisch materiaal kan een organisme schadelijk(er) worden en daarmee bijvoorbeeld pathogeen voor de mens.
  • Een GGO kan mogelijk het natuurlijk evenwicht verstoren als het organisme met extra genen wordt geïntroduceerd in het milieu.
  • Genetisch materiaal van GGO's kan mogelijk worden overgedragen op andere organismen.


Ingehulde genetisch gemodificeerde planten om het verspreiden van zaad te verkomen.

 
Maatregelen
De beheersmaatregelen bij GGO's zijn vooral gebaseerd op fysische inperking. We kennen daarvoor werkruimtes met een reeks van coderingen, die aangeven met welke GGO's je daar mag werken. De inperkingniveaus worden daarbij bepaald door de klasse van het micro-organisme zoals bij biologische agentia is weergegeven (zie ook: Coderingen werkruimtes... ).
De eerste kennismaking met GGO-werkzaamheden is meestal tijdens practica (bijvoorbeeld Gentechnologie). Hier leer je de veilige microbiologische techniek (VMT) toe te passen in een ML-I laboratorium.
Daarnaast moet je aan een aantal eisen voldoen voordat je kunt werken met GGO's.
Wanneer je tijdens een afstudeervak met GGO's gaat werken, is het noodzakelijk dat je je laat registreren en instrueren door de locale veiligheidsmedewerker (VM). Met de VM (en biologische veiligheidsfunctionaris (BVF)) overleg je het project waaraan je gaat werken. Daarbij wordt gevraagd om informatie over vooropleiding, kennis  en ervaring. Deze  informatie wordt beoordeeld door de VM en de BVF. Bij onvoldoende voorkennis kan de BVF van je eisen dat je aanvullende kennis opdoet.
Om te kunnen beginnen is verder ondertekening vereist van een verklaring waarin je onder andere aangeeft:
  • bekend te zijn met veilige microbiologische technieken en de opleidingseisen die aan het werk worden gesteld;
  • kennis te hebben van vergunning waaronder je gaat werken;
  • bekend te zijn met het inperkingniveau dat is vastgesteld voor het project waaraan je gaat werken;
  • bekend te zijn met de werkregels en voorschriften die gelden voor de ruimte waarin je werkt;
  • bekend te zijn met de inhoud van het Handboek Biologische Veiligheid Wageningen Universiteit.  
Het werken met GGO's moet verder volgens een aantal strikte werkregels en voorschriften gebeuren. Algemene regels hiervoor zijn bijvoorbeeld:
  • Alle experimenten moeten in een logboek worden geregistreerd.
  • Alle proeven moeten zorgvuldig en uitgebreid worden beschreven in labjournaals, welke ook na afloop van het afstudeervak bewaard moeten blijven op de leerstoelgroep.
  • Alle constructen die gemaakt worden, dienen nauwkeurig te worden beschreven; ook de plaats waar ze zijn opgeslagen moet worden geregistreerd.  


Top 




Werken met plantenpathogenen / quarantaine organismen


Korte omschrijving
Het importeren en gebruiken van bepaalde schadelijke organismen, schadelijke organismen in combinatie met specifiek plantenmateriaal en overig plantenmateriaal zoals omschreven in de Fytorichtlijn van de EC (2000/29/EG) is verboden. De Plantenziektekundige Dienst (PD) kan ontheffing verlenen en stelt de inperkingniveaus, werkvoorschriften en opleidingseisen vast, waaronder de werkzaamheden mogen worden verricht.
(zie ook `Handboek Biologische Veiligheid Wageningen Universiteit').  

Risico's
Het betreft hier met name risico's voor het milieu.
Ontsnappende plantenpathogenen en quarantaine organismen kunnen vanwege hun uitheemse karakter bij verspreiding schade toebrengen aan inheemse cultuurgewassen.

Maatregelen
Het uitvoeren van de werkzaamheden onder de vastgestelde inperkingniveaus en de vergunning genoemde werkvoorschriften.
Voor ieder onderzoek met een plantenpathogeen/quarantaine organisme zijn beheersmaatregelen en werkvoorschriften opgesteld. Ga naar de locale VM om je te laten registreren en voor het verkrijgen van de instructies specifiek voor de locatie. Tevens is op de deur van de inperkingruimte aangegeven om welk pathogeen/organisme het gaat en wat de bijzondere risico's zijn. Ook is aangegeven wat de vereiste bescherming is en welke procedures er zijn voor het betreden en het verlaten van de ruimte.

Top 




Werken met proefdieren


Korte omschrijving
Tijdens verschillende practica en afstudeervakken binnen Wageningen UR kun je als  student in enigerlei vorm in contact komen met (gewervelde) proefdieren. Aan het werken met proefdieren kleven aspecten van zorg voor het welzijn van het dier en aspecten van zorg voor de gezondheid van degene die er mee werkt.
 

Muizen en ratten bij het Centrum voor Kleine Proefdieren.
 
Viskweek.


Risico's  

  • Door onoordeelkundig werken met proefdieren kunnen deze dieren onnodig lijden.
  • Tijdens het werken met proefdieren kun je schade aan de eigen gezondheid oplopen door overdracht van pathogenen, blootstelling aan allergenen of door een door het dier veroorzaakt ongeval.

 Maatregelen
In de Wet op de Dierproeven (art. 14) is toezicht op het werken met proefdieren verplicht gesteld. Om te waken over het welzijn van proefdieren en om risico's tijdens het werken met proefdieren te beperken is binnen Wageningen UR dan ook een proefdierdeskundige aangesteld: dr. Rob Steenmans, T 0317 48 42 06.
De proefdierdeskundige adviseert onder meer over de aanschaf, de kwaliteit van de huisvesting en het gebruik van de dieren. Uitgangspunt daarbij is dat men onnodige pijn en ongerief van de proefdieren zo veel mogelijk moet voorkomen.
De proefdierdeskundige ziet verder toe op het nemen van beheersmaatregelen die bedoeld zijn om schade aan de gezondheid tijdens het werken met proefdieren tot het minimum te beperken. Tot slot kun je bij de proefdierdeskundige terecht voor informatie over de cursus proefdierkunde. Deze cursus is verplicht voor diegenen die na hun afstuderen met proefdieren willen werken, en kan tijdens afstudeervakken leiden tot meer zelfstandigheid bij het werken met proefdieren.

Daarnaast is er binnen Wageningen UR een dierexperimentencommissie (DEC) ingesteld. De DEC toetst onderzoek met proefdieren op ethische aspecten, om een verantwoorde afweging te kunnen maken tussen het belang van het onderzoek en het welzijn van de proefdieren. Hierbij maakt de commissie gebruik van criteria die zijn vastgelegd in de Wet op de dierproeven. Voor meer informatie over de DEC: ir. Marijke Dohmen, T 0317 48 39 06.

De Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) is belast met het (externe) toezicht op de naleving van de Wet op de dierproeven. Je kunt een klacht of overtreding telefonisch melden bij de Voedsel en Waren Autoriteit: T 0800-0488 (gratis).

NB Wanneer je ziek bent geworden of gewond bent geraakt door het werken met proefdieren, dan moet dit worden gemeld aan de betrokken docent/practicumleider en aan de Arbo- en Milieudienst via het secretariaat van de betrokken afdeling.

Ziektenoverdracht door proefdieren 

Korte omschrijving
Besmette proefdieren kunnen ziektes overdragen aan mens en dier. Ook dieren die zelf geen ziekteverschijnselen vertonen kunnen drager zijn van een op de mens overdraagbare infectieziekte (zoönose). De vijf ziekteverwekkers die worden onderscheiden zijn: virussen, bacteriën, parasieten, protozoa, schimmels. Zie ook: Lijst met veelvoorkomende zoonosen en hun kenmerken...
Je kunt op verschillende wijze in aanraking komen met een zoönose. Bijvoorbeeld bij de verzorging van dieren of bij het aanwezig zijn in ruimtes waar dieren zich bevinden of hebben bevonden. Maar ook bij veldwerk zoals het vangen in vallen van dieren voor onderzoek.


Risico's

  • Via contact met dierlijke producten als urine (Leptospirose), bloed of mest (Salmonellose) kun je zoönosen oplopen.
  • Bij het hanteren van dieren of bij agressieve dieren kan het gebeuren dat je gebeten of gekrabd wordt. Hierdoor kun je onder andere een wondinfectie (Tetanus) of hondsdolheid (rabiës) oplopen.
  • Bij verschillende diersoorten kunnen zoönosen voorkomen die onschuldige infecties kunnen veroorzaken bij mensen, zoals ringschurft bij koeien. Zoönosen kunnen ook ernstige ziekteverschijnselen veroorzaken, zoals bij papegaaienziekte bij papegaaiachtigen, Hantavirus bij (wilde) muizen en tbc bij kippen en duiven en vissen. Het risico op overdracht verschilt per aandoening.
  • Na bijtwonden van dieren, zelfs specifiek-pathogeenvrije dieren, kunnen infecties ontstaan, zoals met Streptobacillus.

 
Maatregelen 

  • Neem gepaste hygiënische maatregelen. Niet eten en drinken tijdens het contact met dieren en handen wassen na contact met dieren.
  • Bij kleine proefdieren (knaagdieren) wordt gewerkt met specifiek-pathogeenvrij aangekochte dieren en vindt regelmatig serologische controle van de dieren plaats.
  • Bij werken met dieren dien je te zorgen voor een goede bescherming tegen tetanus. Onvolledig gevaccineerde bijtslachtoffers dienen tegen tetanus geënt te worden.
  • Bij het werken met (doelbewust) besmette proefdieren wordt er gezorgd voor een goede scholing en training van betrokkene.
  • Bij het werken met geïnfecteerde proefdieren maak je gebruik van een veiligheidskast of isolatieruimte (fysische inperking).
  • Voor verschillende voorkomende situaties bij het werken met proefdieren bestaan protocollen. Informeer hiernaar bij je begeleider.


Maatregelen voor een juiste hygiëne.

NB Als je ziek wordt na contact met dieren, is het belangrijk zo snel mogelijk de huisarts of studentenarts te consulteren en op de mogelijkheid van een zoönose te wijzen. Bij vroegtijdig behandelen zijn veel zoönosen relatief goed te behandelen. Als men de ziekte echter langere tijd onder de leden heeft, raakt men de ziekte vaak maar zeer moeilijk kwijt.

Links
Meer informatie over ziekteverschijnselen die veroorzaakt kunnen zijn door een zoönose bij de diersoort waarmee wordt gewerkt, is te vinden op: RIVM, Zoönosen op een rij of op Zoönose.startpagina



Ongevallen

Korte omschrijving
Tijdens het werken met proefdieren kan een ongeval plaats vinden. Denk hierbij aan gebeten, gekrabd of getrapt worden door proefdieren.

 Risico's

  • Bij kleine proefdieren als muis, rat of konijn loop je de kans dat de dieren je bijten of krabben.
  • bij grote proefdieren als koe, varken of paard loop je, naast de kans dat ze je kunnen bijten, ook de kans dat ze jou trappen of dat je tussen wand of hekwerk en het dier bekneld raakt.

 Maatregelen

  • In het algemeen wordt altijd gewerkt onder begeleiding van een bevoegd en bekwaam begeleider.
  • Er is altijd iemand aanwezig op roepafstand.
  • Bij meer zelfstandig werken met proefdieren moet er altijd goede kennis aanwezig zijn van het gedrag en de houderij van de betreffende diersoort.
  • bij kleine proefdieren moet gewerkt worden met witte jassen en handschoenen.
  • Bij werken met dieren dient gezorgd te worden voor een goede bescherming tegen tetanus. Onvolledig gevaccineerde bijtslachtoffers dienen tegen tetanus geënt te worden.
  • Als je bent gebeten of gekrabd door een proefdier, de wond direct uitspoelen met veel water en daarna met de juiste middelen de wond desinfecteren.

NB Wanneer je ziek bent geworden of gewond bent geraakt door het werken met proefdieren, dan moet dit worden gemeld aan de betrokken docent/practicumleider en aan de Arbo- en Milieudienst via het secretariaat van het betrokken gebouw.

Allergiën

Korte omschrijving
Door het contact met allergenen (stoffen die allergie veroorzaken) afkomstig van (kleine) proefdieren als muizen, ratten en konijnen, kunnen studenten, proefdiermedewerkers of onderzoekers, een allergie ontwikkelen: proefdierallergie.

Risico's
Klachten bij proefdierallergie kunnen verschillend van aard zijn en worden ingedeeld in drie groepen:

  • klachten van neus en ogen (verstopte neus, niesbuien, jeukende ogen);
  • huidklachten (jeukende of rode huid);
  • astmatische klachten (kortademigheid, benauwdheid, piepen op de borst).

Uit onderzoek is gebleken dat de mate van blootstelling aan allergenen bepalend is bij de ontwikkeling van proefdierallergie. Kortom, hoe hoger de blootstelling, hoe groter de kans om proefdierallergie op te lopen. Het is dus belangrijk om de blootstelling aan allergenen zo laag mogelijk te houden.

Maatregelen
De genomen maatregelen zijn er primair op gericht blootstelling aan allergenen zo laag mogelijk te houden: 

  • aanbrengen van bodemmateriaal dat minder stof veroorzaakt; inperking van allergenen, ofwel voorkomen dat allergenen vanuit kooien in de werkruimte komen;
  • schoonhouden van de werkruimte;
  • werken met proefdieren in goed geventileerde flowkasten;
  • beperken van contacttijd met proefdieren;
  • afvoer allergenen door goede ruimteventilatie;
  • dragen van beschermingsmiddelen als mondmasker, werkkleding en handschoenen.

NB Binnen Wageningen UR vindt de verzorging van de proefdieren grotendeels door dierverzorgers plaats, waardoor het contact van studenten met proefdieren beperkt blijft. Ook deze beperkte en onregelmatige blootstelling aan allergenen zorgt voor een zeker risico. 


Top 


 

Werken met (humaan) bloed



Korte omschrijving
Tijdens verschillende practica en afstudeeronderzoeken werk je met menselijk bloed. Dit bloed is mogelijk besmet met bijvoorbeeld virussen zoals het hepatitis-B-, hepatitis-C-virus of het Aids-virus en kan daardoor een gevaar opleveren voor je gezondheid. Vooral een direct bloed-bloed contact is daarbij riskant.

Risico's
Tijdens het werken met bloed:
  • kun je jezelf prikken of snijden (prik- of snijaccident) aan naalden, mesjes of glaswerk. Hierdoor kan (mogelijk besmet) bloed direct in de bloedbaan komen.
  • kan mogelijk besmet materiaal in contact komen met niet intacte huid zoals wondjes, kloven, eczeemplekken, et cetera.
  • kan mogelijk besmet materiaal in contact komen met de slijmvliezen, bijvoorbeeld door spatten in het oog of de mond.
Maatregelen
Ter voorkoming van besmetting moet je zeer hygiënisch met bloed werken:
  • bij de practica werk je als student alleen met eigen bloed;
  • contact met slijmvliezen en wondjes vermijd je, door bijvoorbeeld wondjes af te dekken met een waterdichte pleister;
  • direct contact met bloed mijd je zorgvuldig, daarom draag je verplicht handschoenen en zonodig een veiligheidsbril;
  • gebruikte naalden moet je direct in de daartoe bestemde container deponeren en niet eerst terugdoen in de hoes;
  • scherp afval (glasscherven, naalden, etc.) mag je nooit in vuilnisbakken of -zakken achterlaten;
  • wanneer je werkt met bloed van anderen, bij bijvoorbeeld een afstudeervak, kan het nodig zijn om je te vaccineren tegen Hepatitis-B. Neem in dit geval contact op met de studentenarts en overleg hierover ( zie ook: info Hepatitus-B... ).  

Wat te doen bij prik en snijaccidenten: 

  • wond goed uit laten bloeden;
  • spoelen met water;
  • desinfecteren met alcohol 70% of een ander desinfectiemiddel. 

Bij spataccidenten: 

  • spoelen met water;
  • desinfecteren met alcohol 70% of een ander desinfectiemiddel. 

Vervolg bij alle accidenten: 

  • bewaar indien mogelijk het bronmateriaal;
  • neem zo snel mogelijk contact op met de studentenarts om vervolgbeleid af te spreken. De arts zal een risico-inschatting maken, eventueel het bronmateriaal laten testen (na toestemming van de bron) op HIV, hepatitis-B en -C. Ook zal de arts vragen of je gevaccineerd bent tegen hepatitis-B. Wanneer de arts het noodzakelijk acht start je binnen 8 uur gestart met HIV-remmers;
  • buiten kantoortijden dien je contact op te nemen met de huisarts of de EHBO van het ziekenhuis.

NB Een prik-, snij- of spataccident meld je altijd aan de  betrokken docent/practicumleider en aan de Arbo- en Milieudienst via het secretariaat van de betrokken afdeling/opleiding die dan het formulier incidentmelding kunnen invullen.
De docent/practicumleider is eindverantwoordelijk voor de melding. Meld een incident ook altijd aan Jantien Takens (beleidscoördinator gezondheid en veiligheid, Biotechnion kamer 316, T 0317 48 20 77, E jantien.takens@wur.nl). Ook voor aanvullende informatie kun je bij haar terecht.

Gegevens studentenarts:  

Naam

André Godkewitsch

Adres

Duivendaal 4, Wageningen

Tel.

(+31) (0)317 48 40 22  

Fax.

(+31) (0)317 48 41 88

Email

Andre.godkewitsch@wur.nl

Afspraak

via verpleegkundige (Marchel Ratering of Mario Berretta) bij voorkeur op maandag t/m donderdag tussen 13:30 en 16:30

Websites

Studenten informatie site...
Student Counselling Service (DSB)...













Links
Meer informatie over het hepatitis virus is te vinden op http://www.hepatitis.nl.


Top 



Straling



Korte omschrijving

Elektromagnetische straling is onder te verdelen in ioniserende straling (onder andere röntgenstraling) en niet-ioniserende straling.
Ioniserende straling heeft frequenties van meer dan 3*1015 Hz (röntgenstraling, gammastraling, kosmische straling) en niet-ioniserende straling van enkele Hz tot 1015 Hz.
 

Type straling

Golflengte

Frequentie

Niet-ioniserende straling

Microgolfstraling

1-1000 mm

300-0,3 GHz

IR-straling

0,78-1000 mm

385-0,3 THz

Zichtbaar licht

400-780 nm

750-385 THz

UV-straling

100-400 nm

3000-750 THz

Ioniserende straling

< 100 nm

⊃; 3000 THz












Niet ioniserende straling

Korte omschrijving
Verschillende apparaten in het laboratorium zenden niet-ioniserende straling uit. Deze elektromagnetische straling bezit niet genoeg energie om atomen te ioniseren. Elektromagnetische straling kan, afhankelijk van de energie-inhoud, echter wel chemische reacties beïnvloeden en verbindingen afbreken. Het gaat om ultraviolette (UV) straling, zichtbaar licht, infrarood (IR)straling, microgolven en radiogolven.

In onderstaand schema staan de bronnen en de diverse toepassingen vermeld van verschillende typen niet-ioniserende straling.  

Type straling

Bronnen

Processen

Ultraviolet

Zon, gloeilampen, TL-buizen, lasbogen, lasers

Lassen, doden van bacteriën, industriële fotosynthese, polymerisatie

Licht en Infrarood

Zon, vuur, gloeilampen, hete voorwerpen, TL-buizen, lasbogen, lasers

Lassen, projectie, stoomketels, brand, koken en bakken

Statische velden

NMR apparatuur, elektrolyse apparatuur

Elektrolyse, galvanotechniek

Microgolf-straling

Magnetron

Verwarmen, koken, bakken











Risico's
Niet-ioniserende straling kan schadelijk zijn voor de ogen en voor slecht doorbloede lichaamsdelen. Hoge blootstellingniveaus kunnen door de stralingswarmte schade veroorzaken (verbranding). Wanneer lichaamsdelen rechtstreeks aan niet-ioniserende straling worden blootgesteld, leidt dit tot warmteontwikkeling.
Omdat slecht doorbloede lichaamsdelen deze ontstane warmte niet snel kunnen afvoeren, kan dit tot schadelijke gevolgen leiden. Acute effecten na blootstelling aan UV-straling zijn zonnebrand en hoornvlies- en bindvliesontsteking van de ogen (`lasogen').
Verschijnselen worden merkbaar in een periode van enkele uren tot enkele dagen na de blootstelling. Effecten op de lange termijn zijn huidkanker en staar. Overmatige blootstelling versnelt bovendien het verouderingsproces van de huid.
In de praktijk wordt de achtergrondblootstelling in de buitenlucht als grenswaarde gebruikt.


Waarschuwingsbord voor niet-ioniserende straling.

Maatregelen
Bij het gebruik van bronnen van niet-ioniserende straling gelden de volgende regels:

  • bewaar voldoende afstand tot stralingsbronnen;
  • scherm de stralingsbronnen af van de gebruiker;
  • schakel apparatuur uit wanneer deze niet worden gebruikt;
  • maak gebruik van beschermende middelen, zoals IR-brillen, UV-brillen of gelaatsschermen, laskappen en beschermende handschoenen en kleding.

 
Ioniserende/radioactieve straling

Korte omschrijving
Radioactieve stoffen zenden ioniserende straling uit. Radioactieve stoffen zijn stoffen waarvan de atoomkernen, onder uitzending van ioniserende straling, vervallen tot stabielere kernen. Dergelijke radionucliden komen van nature voor (bijvoorbeeld in uranium), maar kunnen ook kunstmatig worden aangemaakt.
Op verschillende locaties van Wageningen UR gebruikt men bij bepaalt onderzoek radioactieve stoffen. Je kunt onderscheid maken tussen radioactieve bronnen in verspreidbare vorm (`open' bronnen) en ingekapselde bronnen (`gesloten' bronnen). Open bronnen mag je alleen toegepast in isotopenlaboratoria.

 


Isotopenlaboratorium met op en naast de deur de aanwijzigen voor bijzondere risico's, vereiste bescherming en procedures.
  

Risico's
Ioniserende straling is in staat om materie die door deze straling wordt getroffen te ioniseren. Wanneer ionisatie optreedt in levende materiaal kan dit leiden tot veranderingen (beschadigingen) van het erfelijk materiaal. Het bekendste effect is het ontstaan van tumoren. Soms openbaren effecten zich pas bij nakomelingen.


 Waarschuwingsbord ioniserende straling.

Maatregelen

Regelgeving
Het gebruik van ioniserende stralingsbronnen is gebonden aan strenge regels. Deze regels zijn voornamelijk bepaald door de Kernenergiewet (Kew) en vastgelegd in de daaruit voortvloeiende `Regeling Stralingshygiëne Wageningen UR'. De werkvoorschriften en instructies zijn bedoeld om de stralingsbelasting zoveel mogelijk te beperken voor medewerkers, studenten en milieu.

Stralingscursus
Studenten die met ioniserende stralingsbronnen gaan werken moeten voldoende deskundigheid bezitten met betrekking tot stralingsrisico's en stralingsbeschermingsmaatregelen. Ze zijn daarom verplicht de basiscursus stralingshygiëne te volgen (Stralingshygiëne niveau 5B).

Monitoring
De maximaal te ontvangen stralingsdosis voor radiologische werkers is 20 mSv (millisievert) per jaar. Bij werkzaamheden met een verhoogde kans op het vrijkomen van straling, is het dragen van een Termo Luminescentie Dosismeter (TLD) verplicht. Als de stralingdosis in C-laboratoria niet wordt gemeten via persoongebonden TLD's, dan wordt het stralingsniveau in de ruimte vastgesteld via ruimtemonitoring. Eén of meerdere TLD's die op relevante posities in de radionuclidenlaboratoria staan, meten permanent (24 uur/dag) de stralingsdosis. De dosisgegevens worden tenminste 30 jaar bewaard in verband met eventuele claims van (ex-) werknemers/studenten.

Isotopenlaboratorium
Alleen in een zogenaamd isotopenlaboratorium (B, C of D-niveau), mag je werken met radioactieve stoffen.
Bij elk isotopenlaboratorium is een lokaal stralingsdeskundige aangesteld. De lokaal stralingsdeskundige houdt toezicht op de naleving van de veiligheidsvoorschriften en richtlijnen. Een belangrijk voorschrift is dat radioactieve bronnen alleen door of met toestemming van de lokaal stralingsdeskundige via de Arbo- en Milieudienst mogen worden aangeschaft. De veiligheidsvoorschriften en richtlijnen zijn te lezen in het zogenaamde Kew-dossier dat de de lokaal stralingsdeskundige beheert. De Arbo- en Milieudienst houdt verder toezicht op de radiologische werkzaamheden en voert regelmatig inspecties uit.

 


Werkplek in isotopen laboratorium.

Afvalvat "kortlevend" radioactief afval.
Radioactief afval
Bij de afvoer van radioactief afval is zoveel mogelijk een scheiding aangebracht tussen kortlevende radionucliden (halfwaardetijd < 25 dagen: bijv. 32P), middellanglevende radionucliden (bijv. 35S) en langlevende radionucliden (halfwaardetijd > 100 dagen: bijv. 3H, 14C). De lokaal stralingsdeskundige coördineert de afvoer van radioactief afval (zie: Richtlijn radioactief afval...).

 Meer informatie over straling kun je krijgen bij de lokaal stralingsdeskundige (of diens plaatsvervanger) van het laboratorium. Wim Koops, algemeen stralingsdeskundige van Wageningen UR, kun je bereiken via T 0317 - 48 41 75.


Top 



Persoonlijke beschermingsmiddelen


Korte omschrijving
Ondanks dat er geprobeerd is de werkomgeving schoon en veilig te krijgen, kan het gebeuren dat er toch persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM's) nodig zijn. In dat geval zorgt Wageningen UR er voor dat de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen in voldoende mate aanwezig zijn. Studenten zijn er zelf verantwoordelijk voor, de aangeboden persoonlijke beschermingsmiddelen op een juiste wijze te gebruiken.

Risico's
Persoonlijke beschermingsmiddelen sluiten nooit schadelijke effecten uit maar verminderen uitsluitend de schadelijke effecten/blootstellingen. De effectiviteit van persoonlijke beschermingsmiddelen is onder andere afhankelijk van:

  • op de juiste manier gebruiken;
  • juiste wijze van opslag en onderhoud;
  • kwaliteit van het beschermingsmiddel.


Maatregelen
PBM's zijn grofweg in te delen in zes verschillende typen van bescherming:

Oog- en gelaatsbescherming
Bij het breken van glaswerk kunnen splinters of agressieve chemicaliën in het oog komen. In dit soort situaties zorgen (veiligheids)brillen voor bescherming.
Het dragen is onder andere verplicht bij het werken met bijtende en/of irriterende stoffen of wanneer er gevaar bestaat voor explosies of implosies.

Gehoorbescherming
Lawaaidoofheid is één van de meest voorkomende beroepsziekten. Mensen die regelmatig aan overmatig lawaai in hun werkomgeving worden blootgesteld, lijken hiervoor op den duur minder gevoelig te worden. In werkelijkheid gaat het gehoor achteruit en wordt de kans op lawaaidoofheid alleen maar groter. Daarom is het belangrijk er alles aan te doen om zo'n beschadiging te voorkomen. 

Het gebruik van gehoorbescherming is verplicht bij werkzaamheden met een geluidsniveau boven de 85 dB(A) en in ruimten waar gewerkt wordt met ultrasoon geluid. Wageningen UR moet in dat geval voldoende en passende gehoorbeschermingsmiddelen ter beschikking stellen. Studenten zijn verplicht deze gehoorbeschermers te dragen. Gehoorbescherming kan bestaan uit oordoppen, gehoorkappen of uit (op maat gemaakte) otoplastieken. 

                   
   Gehoorkap Oordoppen       Otoplastiek

Handschoenen
Het dragen van Handschoenen is verplicht als je werkt met stoffen die door de huid kunnen dringen, maar ook om besmetting te voorkomen. Verder draag je ook handschoenen bij werkzaamheden met bijtende of ontvettende stoffen, ruw of scherp materiaal of met zeer hete of koude stoffen/voorwerpen. Bij het werken met gevaarlijke stoffen moet je, je altijd bedenken dat wegwerp handschoenen slechts tijdelijk beschermen.
Voor het werken met gevaarlijke stoffen zijn er onder andere latex, vinyl en neopreen handschoenen beschikbaar (meer info over verschillende handschoenen op de ARBO website...).  

In de nieuwere uitgaven van het chemiekaartenboek is een tabel opgenomen waarin voor vele stoffen staat aangegeven welk type handschoen het meest geschikt is.
De meeste handschoenen zijn bedoeld voor eenmalig gebruik. Bij het uittrekken van de handschoenen moet je er goed opletten dat je niet alsnog chemicaliën op handen of je huid krijgt. Zie ook: Tips voor het dragen van veiligheidshandschoenen...

Beschermende kleding
Het dragen van beschermende kleding, zoals een labjas, is noodzakelijk bij laboratoriumwerkzaamheden. Een labjas beschermt hierbij de huid én de kleding tegen schadelijke stoffen.
Om besmetting elders te voorkomen, moet je de beschermende kleding bij het verlaten van het laboratorium weer uittrekken.

Adembescherming
Adembeschermingsmiddelen beschermen je tegen inademing van gevaarlijke stoffen. Adembeschermingsmiddelen moet je dragen in die ruimten waar dit met behulp van veiligheidssignalering is aangegeven. Afhankelijk van de omstandigheden gebruik je verschillende types adembescherming. Voorbeelden zijn celstofmaskers ("snuitje") voor het werken met (niet giftig) stof en gasmaskers (Halfgelaatsmasker of volgelaatsmasker) met verschillende filters voor werkzaamheden met schadelijk stof of gassen en dampen.  

                               
"Snuitje"                               Halfgelaatsmasker                    Volgelaatsmasker
 
Veiligheidsschoenen
Afhankelijk van het risico bestaan er verschillende veiligheidsschoenen. Zo zijn er schoenen met een verhoogde weerstand tegen inwerking van agressieve stoffen of schoenen met een stalen neus wanneer je werkt met zware materialen. 

                         
Diverse veiligheidsschoenen.



Links
http://www.groeneveld-intersafe.nl/  (kijk onder catalogus).

Top 


 

 
Werken met gassen


Werken met gasflessen
In een laboratorium kun je voor verschillende activiteiten gassen gebruiken. Meestal zijn gassen verpakt in metalen gasflessen, waarbij de gassen onder druk zijn opgeslagen. Hierbij kan de druk wel 200 bar hoog zijn. Wanneer gassen onbedoeld ontsnappen door bijvoorbeeld lekkage kunnen, natuurlijk afhankelijk van de gassoort, gevaarlijke situaties ontstaan.  
 


Gasfles met reduceerventiel.
 

Werken met gasflessen daarom moet zorgvuldig gebeuren. Aandachtspunten daarbij zijn: 

  • zet gascylinders altijd vast, bijvoorbeeld door een klemband aan de tafel;
  • plaats gascylinders nooit in de buurt van warmtebronnen (denk ook aan het zonlicht).

De gasdruk regel je met behulp van een hoofdafsluiter en een zogenaamd reduceerventiel.

  • controleer eerst of de grote stelschroef helemaal is uitgedraaid;
  • draai dan de hoofdafsluiter open; de inhoudsmanometer geeft nu de gasdruk in de cilinder aan;
  • draai nu de grote stelschroef in tot de gewenste werkdruk is bereikt, bijvoorbeeld één atmosfeer (zie werkdruk-manometer);
  • de gasstroomsnelheid regel je nu met de fijndrukregelaar;
  • bij het uitzetten draai je eerst de hoofdafsluiter dicht en als de druk op beide manometers nul is, draai je de fijndrukregelaar dicht en de grote stelschroef uit.

 


       
 

Werken met cryogene gassen
Cryogene stoffen zijn stoffen in extreem koude toestand. De meeste stoffen zijn tot vloeistof gecondenseerde gassen met zeer lage temperaturen van -273 ºC tot -130 ºC. Komen deze vloeistoffen in contact met de buitenlucht dan gaan ze al kokend over in gasvorm.
Contact met de stof of met door de stof gekoeld materiaal kan letsel veroorzaken, dat lijkt op brandwonden. Daarnaast kunnen ze tot verstikking leiden in besloten ruimtes (doordat ze in gasvorm het aanwezige zuurstof verdringen).

Brandwonden en kleefgevaar
Naast bovenstaande gevaren kan vloeibare stikstof zware brandwonden veroorzaken na aanraking. Onder normale atmosferische omstandigheden kookt vloeibare stikstof. Dit koken kan opspatten van de vloeistof tot gevolg hebben. Door de zeer lage temperatuur van vloeibare stikstof bestaat verder het gevaar dat bij aanraking de huid aan de leiding of een ander koud oppervlak kan blijven kleven.
Om bovenstaande gevaren te voorkomen kunnen onder meer de volgende veiligheidsmaatregelen genomen worden: het isoleren van koude oppervlakten en het dragen van temperatuurbestendige handschoenen en een veiligheidsbril.

Verstikking
Naast de wellicht bekende gevaren van vloeibare stikstof zoals verbranding en kleefgevaar, kent stikstof nog een ernstig ander gevaar, namelijk verstikking. Verdamping van vloeibare stikstof kan het zuurstofpercentage in de lucht zo ver verlagen, dat er verstikking kan optreden. Stikstof is reukloos, kleurloos, smaakloos, inert en niet giftig. In de lucht is circa 78% stikstof aanwezig. Echter daarmee is stikstof niet geheel ongevaarlijk. Verdamping van stikstof in een afgesloten of slecht geventileerde ruimte kan namelijk het zuurstofpercentage in de lucht zover verlagen, dat er verstikking kan optreden.
Het verminderen van het zuurstof percentage in de lucht is niet onmiddellijk waarneembaar. Gevaarlijke situaties kunnen onder meer ontstaan bij: slecht geventileerde ruimten waarin gassen zijn opgeslagen of waarin met gassen wordt gewerkt, bij langdurig of snel verdampen van vloeibare stikstof tijdens het aftappen, in vriestunnels of opslagvaten of bij cryogeen vermalen of snijden. Zorg dan ook voor een goede ventilatie van de ruimte, waarin met stikstof wordt gewerkt. 

 
 Het "tappen" van vloeibaar stikstof.

Top 




Lasers


Korte omschrijving
Een andere toepassing van elektromagnetische straling is de laser. Laser (Light Amplification by Stimulated Emission of Radiation) is een stralingsbron die een zeer intense bundel elektromagnetische straling uitzendt. De diameter van de bundel kan uiterst gering zijn. Laser bezit de eigenschap om grote hoeveelheid energie te kunnen toevoeren aan een beperkt oppervlak. Door deze eigenschap wordt laser vaak toegepast in laboratoria. Laserfrequenties liggen qua golflengte in het Infra Rode, het zichtbare en het Ultra Violette licht.   

 
Waarschuwingsbord voor laserstralen.


Risico's
Wanneer een laserstraal, of een reflectie ervan, ogen of huid treft, kunnen gezondheidsrisico's ontstaan. De intensiteit van de uitgezonden straling kan zo hoog zijn dat oogreflexen niet op tijd reageren en dat door warmteontwikkeling schade aan het oog wordt toegebracht. Ook aan het huidoppervlak kunnen lasers door warmteontwikkeling schade toebrengen.
Naast risico's voor ogen of huid, zijn er ook andere risico's aan het werken met laserstraling verbonden:

  • aanwezigheid van open netspanning en hoogspanning binnen de behuizing;
  • röntgenstraling (komt vrij bij spanningen hoger dan 5 kV);
  • vrijkomen van schadelijke dampen of gassen bij materiaalbewerking.


Maatregelen
Ruimten waar men lasers gebruikt, zijn aangegeven met het boven afgebeelde waarschuwingsbord. Voor de werkzaamheden met lasers zijn speciale veiligheidsregels van toepassing. Vóór de start van de werkzaamheden, krijgen medewerkers informatie over de risico's van de toegepaste laser en de getroffen veiligheidsmaatregelen. Een persoonlijke beschermingsmiddel is de laserveiligheidsbril. Deze biedt alleen bescherming tegen laserlicht afkomstig van het type laser waarvoor de bril bedoeld is. Elk type laser heeft dus zijn eigen laserbril.
Lasers zijn ingedeeld in klassen. De klasse-indeling is gebaseerd op het maximaal uit te zenden vermogen en de golflengte. Een klasse 1 laser is ongevaarlijk (intrinsiek veilig). Klasse 4 lasers zijn het gevaarlijkst.
Verder zijn er blootstellingslimieten (MPE-waarden=Maximaal Permissible Exposure) vastgesteld. Deze limieten zijn gebaseerd op schadegrenzen.

Links
http://www2.wur.nl/amd/straling/straling_frame.htm 


Top 



Werken met centrifuges



Korte omschrijving 
Een techniek die op diverse laboratoria wordt gebruikt is het centrifugeren. Hierbij wordt door snel ronddraaien een zodanige centrifugale kracht opgewekt, dat stoffen met verschillende soortelijke dichtheden van elkaar gescheiden worden. Afhankelijk van de te scheiden stoffen is een grotere of kleinere centrifugale kracht nodig. Hierbij geldt, hoe hoger het toerental, hoe hoger de scheidingskracht.

Risico's

  • In een nog draaiende rotor grijpen met een hand kan ernstige verwondingen aan vingers, pols en arm veroorzaken.
  • Door onjuiste belading kan een rotor in onbalans raken beschadigden. Hierdoor kan bijvoorbeeld breuk van de rotor ontstaan, waarbij rondvliegende rotordelen grote schade aan machine én gebruiker kunnen toebrengen.

 Algemeen geldt: Hoe hoger het gebruikte toerental, hoe groter de risico's en hoe strikter de protocollen.

 

Maatregelen

  • Werken met centrifuges mag alleen volgens een voorgeschreven protocol horend bij de desbetreffende centrifuge. Dit protocol moet altijd een voorschrift bevatten hoe je de centrifuge moet beladen en balanceren en welke buizen en verloopstukken je mag gebruiken. Vraag naar dit protocol bij de laboratoriumverantwoordelijke, lees het protocol van tevoren goed door en volg alle aanwijzingen nauwkeurig op.
  • In centrifuges zijn een aantal veiligheden ingebouwd. Zo kunnen de meeste centrifuges, zeker die met hogere toerentallen, alleen werken wanneer de kap gesloten is.

Top 




Werken met magnetrons

Korte omschrijving
Op een aantal laboratoria van de universiteit wordt gebruikt gemaakt van laboratoriummagnetrons. Zo kunnen in een magnetron bijvoorbeeld gewasmonsters zeer effectief worden gedestrueerd onder toevoeging van HF, HNO3 en H2O2. De energie die nodig is voor de ontleding van de monsters wordt hierbij geleverd door de microgolven van de magnetron. Een andere toepassing van de magnetrons is het snel opkoken van agarmedia.  



Het opkoken van media in een magnetron.
 
  

Risico's
Vaak vindt bij laboratoriumtoepassing van magnetrons drukopbouw plaats . Bij onoordeelkundig gebruik kunnen de daarbij gebruikte vaatjes, capsules of zelfs de magnetron exploderen. Rondvliegende brokstukken en agressieve chemicaliën kunnen dan voor ernstige verwondingen zorgen.

Maatregelen
Het werken met een laboratoriummagnetron moet volgens een vastgesteld protocol gebeuren. De precieze inhoud van dit protocol zal afhangen van de toepassing en de daarbij benodigde chemicaliën.
Vraag naar dit voorschrift bij de laboratoriumverantwoordelijke, lees het protocol van tevoren goed door en volg alle aanwijzingen nauwkeurig op. 


Top 




Werken met bestrijdingsmiddelen


Korte omschrijving
Bestrijdingsmiddelen gebruik je om ziekteverwekkers voor planten en gewassen te bestrijden. Hierbij is onderscheid te maken naar de werking. De meest voorkomende groepen zijn insecticiden (bestrijdt insecten), herbiciden (bestrijdt onkruid) en fungiciden (bestrijdt schimmels).
In de handel komen bestrijdingsmiddelen in verschillende vormen voor. Zo zijn er middelen in vloeistofvorm, als verstuifbaar poeder, granulaat enzovoort. De vorm waarin een bestrijdingsmiddel in de handel komt, heet in de naamgeving volgens de Bestrijdingsmiddelenwet: de formulering.

Risico's
Gezondheidsschade van bestrijdingsmiddelen kan bestaan uit acute effecten en effecten op de langere termijn. Symptomen kunnen variëren van huid- of oogirritatie, braken, tot neurologische aandoeningen en zelfs de dood. Insecticiden zijn na opname het meest gevaarlijk vanwege de inwerking op het centrale zenuwstelsel en de energiehuishouding. Herbiciden en fungiciden kunnen echter ook ernstige vergiftigingsverschijnselen veroorzaken.
Bestrijdingsmiddelen kunnen op drie manieren in het lichaam komen: via de huid, luchtwegen en via de mond. In tegenstelling tot wat men meestal denkt, is opname via de huid verreweg de belangrijkste route van blootstelling. De belangrijkste momenten waarop je besmet kunt raken met bestrijdingsmiddelen zijn:

  • tijdens het aanmaken van de spuitvloeistof en het vullen van de apparatuur;
  • tijdens het toepassen (spuiten) van het middel;
  • bij herbetreding van een onlangs bespoten gewas;
  • tijdens schoonmaak en reparatie van de gebruikte apparatuur.

 Bestrijdingsmiddelen kunnen daarnaast brandgevaar opleveren omdat het middel zelf of de formulering brandgevaarlijk is.


Maatregelen
Het werken met bestrijdingsmiddelen is vastgelegd in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, en het daarop gebaseerde Bestrijdingsmiddelenbesluit. Ook de regels binnen Wageningen UR zijn hierop gebaseerd. Belangrijkste uitgangspunt daarbij is om de blootstelling aan bestrijdingsmiddelen tot het uiterste minimum te beperken.

De belangrijkste regels daarbij  zijn:

  • Studenten zijn verplicht alle, door begeleider gegeven, aanwijzingen en regels op te volgen en gebruik te maken van de door begeleider aanbevolen en verstrekte beschermingsmiddelen.
  • Het toepassen (verspuiten/verstuiven) van bestrijdingsmiddelen op een gewas mag alleen worden uitgevoerd door medewerkers/studenten met een spuitlicentie.
  • Het (her)betreden van gewassen/kassen die met bestrijdingsmiddelen zijn behandeld, is aan strikte regels gebonden. Deze regels zijn vastgesteld door de beheerder/projectleider/begeleider.
  • Tijdens het werken in of met een met bestrijdingsmiddelen behandeld gewas, mag je niet eten, drinken of roken.
  • na het werken in of met een met bestrijdingsmiddelen behandeld gewas moet je je handen, armen en gezicht goed wassen met zeep.


Beschermingsmiddelen bij het verspuiten/verstuiven van bestrijdingsmiddelen.
 

Verder kun je op de verpakking van bestrijdingsmiddelen altijd de gevaren, de veiligheidsaanbevelingen en de gevaarsymbolen (zie: Gevaarssymbolen bestrijdingsmiddelen...) lezen.NB Wageningen UR besteedt binnen de kassencomplexen veel aandacht aan preventie aan de bron: dat wil zeggen minder toepassing van bestrijdingsmiddelen, minder giftige middelen, of andere formuleringen. Verder streeft men er naar om steeds meer biologische bestrijding toe te passen in plaats van chemische bestrijding.  


Top 


  
Print deze pagina