We kennen de berichten over uitstervende dier- en plantensoorten – over afnemende biodiversiteit. Dit is van groot belang voor de leefbaarheid van onze planeet, want het wegvallen van een soort brengt bijna altijd een kettingreactie op gang. Rijkdom aan soorten en de interactie daartussen zijn noodzakelijk voor het ecologische evenwicht. Tien jaar na de grote milieuconferentie in Rio de Janeiro (1992) hebben 182 landen het Biodiversiteitsverdrag ondertekend. Daarmee geven zij aan belang te hechten aan de wereldwijde soortenrijkdom. Deze landen vergaderen eens in de twee jaar over de voortgang en uitvoering van het verdrag.
Van 7 tot 19 april vindt in Den Haag de zesde Conferentie over Biodiversiteit plaats. Aansluitend wordt van 22 tot 27 april de Intergouvernementele Bijeenkomst van het Cartagena Protocol (ICCP3) gehouden. Doel van de bijeenkomsten is de voortgang te bespreken in het bereiken van de doelstellingen van het Biodiversiteitsverdrag van 1992. Eerdere voortgangsconferenties vonden plaats op de Bahamas (1994), in Jakarta (1995), Buenos Aires (1996), Bratislava (1998) en in Nairobi (2000).
De conferentie in Den Haag wordt voorgezeten door Geke Faber, Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Alle 182 aan het verdrag deelnemende landen zijn in het Nederlands Congres Centrum vertegenwoordigd. Er worden meer dan 2000 gedelegeerden verwacht – nog afgezien van de honderden vertegenwoordigers van Niet-Gouvernementele Organisaties (NGOs) en andere belangengroepen.
Tijdens de Haagse Conferentie over Biodiversiteit staat een viertal onderwerpen centraal: bossen, uitheemse soorten, genetische bronnen en het strategisch plan: een 'spoorboekje' voor de komende 10 jaar. Als vijfde onderwerp zal tijdens de ICCP3 gesproken worden over bioveiligheid. Nederland streeft ernaar een aantal afspraken die voortvloeien uit het verdrag aan te scherpen en concreter te maken. Overigens moeten besluiten van de conferentie unaniem worden genomen.