Drs. J. van Ruijven : Consequenties van de achteruitgang van biodiversiteit in grasland

  Nieuws
  Perskamer
  Archief
  Agenda
  2012
  2011
  2010
  2009
  2008
  2007
  2006
  2005
  2004
  2003
  2002
  2001
  2000
  1999
  Nieuws
  RSS
  Agenda
  Open dagen
  Cursussen
  Promoties & Oraties
  Congressen en symposia

7 jan 2005 16:00
Onderdeel: Wageningen Universiteit
Locatie: Aula (gebouw 362), Gen. Foulkesweg 1, Wageningen
Promotor: prof.dr. F. Berendse (Nature Conservation and Plant Ecology)

De achteruitgang van biodiversiteit in graslanden: consequenties voor het functioneren van het ecosysteem en interacties met boven- en ondergrondse organismen

Nu er wereldwijd steeds meer soorten uitsterven, is het essentieel om te begrijpen wat het verdwijnen van deze soorten voor gevolgen heeft voor het functioneren van ecosystemen. Het is deze gedachte die halverwege de jaren negentig leidde tot een nieuw onderzoeksveld binnen de ecologie. Dit ‘biodiversity-ecosystem functioning’- onderzoek wordt vooral in graslanden uitgevoerd.

Eerder onderzoek liet reeds zien dat de plantenbiomassa hoger is bij een hoger aantal plantensoorten, maar dat leek vooral bepaald te worden door de aanwezigheid van stikstofbindende vlinderbloemigen. Wij laten zien dat hetzelfde patroon ook ontstaat zonder deze stikstofbinders. Twee onderliggende mechanismen lijken hiervoor verantwoordelijk te zijn. Ten eerste is een soortenrijke plantengemeenschap in staat meer nutriënten op te nemen doordat de planten hiervoor verschillende strategieën hebben en ten tweede gebruiken de planten hun nutriënten efficiënter in soortenrijke gemeenschappen.

De soortenrijkdom van planten is ook belangrijk voor veel andere organismen in graslanden. Wij vonden dat de diversiteit van nematoden (een zeer belangrijke groep in het bodemvoedselweb) toeneemt met een stijgend aantal plantensoorten. Dit patroon werd vooral veroorzaakt door specifieke associaties tussen nematoden- en plantensoorten.

Organismen als nematoden, schimmels en herbivoren reageren niet alleen op de samenstelling van de vegetatie, ze kunnen ook een grote invloed op de plantendiversiteit uitoefenen. Die invloed is echter vaak bepaald zonder rekening te houden met de effecten van andere organismen. Wij laten zien dat de afzonderlijke effecten van boven- en ondergrondse planteneters (insekten) op de plantendiversiteit volledig omslaan als ze tegelijk actief zijn in de vegetatie. Deze resultaten illustreren dat het noodzakelijk is om niet alleen de effecten van de plantendiversiteit, maar ook die van interacties met en tussen allerlei andere organismen in het ecosysteem te bepalen. Door deze aanpak vervolgens uit te breiden naar andere ecosystemen kunnen de wereldwijde consequenties van het uitsterven van soorten voor het functioneren van ecosystemen bepaald worden.

Print dit agenda item