De sterk toegenomen inzet van stikstof (N) op melkveebedrijven leidde tot grote stikstofverliezen naar het milieu. De kunst is de N-verliezen te verlagen door minder N te gebruiken, bij een gelijkblijvende opbrengst en kwaliteit van het gras.
Dit proefschrift heeft als doel om het nemen van dagelijkse beslissingen over grasland- en N-gebruik te kunnen verbeteren. Dat wordt het verband onderzocht tussen N-gift, grasopbrengst en –kwaliteit binnen een snede gras, nieuwe criteria voor een milieukundig verantwoorde bemesting af te leiden en te zoeken naar gereedschap dat het dagelijks handelen kan ondersteunen.
Het N-gehalte van het gras is een milieukundig criterium dat goed gecombineerd kan worden met het economisch criterium dat de laatste kilogram N nog minstens 7,5 kg droge stof aan gras moet opleveren. Daarmee kun je gras produceren goed is te combineren met snijmais en krachtvoer. Als gras in een jong stadium wordt gebruikt, is het N-gehalte nog hoog en is het opbrengstverhogende effect nog klein. Ouder gras heeft een lager N-gehalte en het opbrengstverhogende effect van de bemesting is groter.
Boeren weiden hun koeien vaak in te jong gras. Daardoor is de N-benutting en de totale grasopbrengst laag. Weiden in een ouder stadium leidt tot hogere grasopbrengsten en kleinere N-verliezen, zonder dat de melkproductie hoeft te dalen.
Boeren weiden hun koeien in jong gras, omdat ze het risico willen vermijden dat de melkproductie daalt. Dat komt voort uit een gebrek aan goede informatie over de grasopbrengst en –kwaliteit. Met een snelle en nauwkeurige schatting van grasopbrengst en kwaliteit kunnen boeren hun graslandgebruik verbeteren.
N-bemesting werkt door in minstens drie sneden. Daarmee moet je rekening houden bij de bemesting. Uit proeven blijkt dat de hoeveelheid N-bemesting in de voorgaande sneden de beste maat is om die nawerking in te schatten. Meting van de minerale N in de bodem is geen goede maat.