De Amerikaanse Food and Drug Administration onderzoekt frisdranken op de aanwezigheid van benzeen, nadat consumentenorganisaties vorige maand alarm sloegen. Benzeen ontstaat door een reactie van vitamine C met het conserveringsmiddel natriumbenzoaat. Producenten benadrukken dat het om zeer geringe hoeveelheden gaat. Een poosje door het stadverkeer rijden zou een veel grotere blootstelling opleveren. In Nederland heeft de kwestie nauwelijks aandacht gekregen. Terecht?
Prof. Ivonne Rietjens, hoogleraar toxicologie:
'Dat kleine hoeveelheden benzeen kunnen ontstaan is al lang bekend bij de frisdrankenindustrie. Heel lang heeft niemand zich zorgen gemaakt. Maar het klinkt natuurlijk niet fijn, benzeen in je glas. Dat wil niet zeggen dat er een echt risico is, maar mensen weten die risico's niet in perspectief te plaatsen. We lopen dagelijks zo veel risico's, maar met dit soort risico's kunnen mensen slecht overweg.
Weet je wat het probleem is? We hebben geen goede afspraken over hoe we de risico's van kleine hoeveelheden kankerverwekkende stoffen moeten beoordelen. De vuistregel is dat we een risico van één extra geval van kanker per miljoen mensen bij levenslange blootstelling acceptabel vinden.
Dat klinkt helder, maar hoe bereken je aan welke hoeveelheid je iemand dan mag blootstellen? In Nederland hebben we daar een pragmatische aanpak voor. Op basis van testen bij ratten meten wij welke dosis van een stof bij vijftig procent van de dieren kanker veroorzaakt. Vervolgens gaan we ervan uit dat het risico op kanker lineair afneemt met de hoeveelheid die je binnenkrijgt. Dus tien keer minder stof, tien keer kleinere kans op kanker. Op die manier kun je schatten welke blootstelling zorgt voor het risico van één geval per miljoen bij levenslange blootstelling. Die schatting is waarschijnlijk aan de voorzichtige kant. In werkelijkheid zijn kleine hoeveelheden waarschijnlijk minder schadelijk, omdat bijvoorbeeld het DNA-reparatiemechanisme in cellen bij lage concentraties het werk goed aan kan, en pas bij hoge concentraties problemen krijgt.
Deze rekenmethode wordt in andere landen echter niet geaccepteerd. Die willen nauwkeurigere schattingen van het risico. Nu kan er makkelijk een factor tienduizend zitten tussen de ene en de andere rekenmethode om de risicoás te bepalen. Bovendien is een mens geen rat. De instanties hebben daarom geen harde norm.
Dat is een groot probleem omdat we steeds nauwkeuriger kunnen meten. Nu meten we in ppb's, deeltjes per miljard, en ppt's, deeltjes per biljoen. Dat wordt straks nog lager. Dan vind je vast nare stoffen in van alles. In babyvoedsel bijvoorbeeld. Als je maar nauwkeurig genoeg meet vind je overal wel iets.
Het wordt dus hoog tijd dat we werken aan betere modellen voor de schatting van kankerrisico’s bij lage doseringen, en het vaststellen van acceptabele risico’s, anders kan ik elke dag een journalist te woord staan. Mensen moeten leren om op een eerlijke manier met risico's om te gaan. Het zou daarbij wel helpen als er heldere afspraken zijn om die risico's vast te stellen.’
Korné Versluis
Bovenstaand bericht is geproduceerd door de redactie van Wb, het weekblad voor Wageningen UR. Het wordt u aangeboden door de afdeling Corporate Communicatie. Meer informatie bij Pers- en wetenschapsvoorlichting van Wageningen UR, e-mail: pers.communicatie@wur of bij de Redactie van Wb, e-mail: wb@cereales.nl. Zie meer nieuws en archief op http://www.wb-online.nl.