Het LEI heeft voor het Vlaamse ministerie van Landbouw en Visserij de duurzaamheid belicht van de agrarische handel tussen België en een viertal ontwikkelingslanden. Doel van het onderzoek was om de economische, sociale en ecologische gevolgen voor deze landen in kaart te brengen van de productie van levensmiddelen die in België ingevoerd worden . Het onderzoek spitst zich toe op vijf producten (bananen, cacao, koffie, soja en thee) en vier landen (Brazilië, Costa Rica, Ivoorkust en Tanzania).
De studie wijst uit dat met name in de twee Latijns Amerikaanse landen (Brazilië en Costa Rica) de productie en handel onduurzaam genoemd moeten worden vanwege de ecologische gevolgen ten aanzien van biodiversiteit, bodemgebruik, pesticidengebruik en waterverbruik. Op de ecologische gevolgen van de sojaproductie in Brazilië wordt momenteel ook in de Round Table on Responsible Soy veel nadruk gelegd. Het relatief hoge pesticidengebruik in de bananensector -vanwege de vatbaarheid voor schimmelziektes- is eveneens niet onbekend.
In de twee Afrikaanse landen (Ivoorkust en Tanzania) zijn vooral de sociaaleconomische factoren (inkomen uit slaven- en kinderarbeid) van belang. Het gebruik van kinderarbeid in de cacaoproductie in Ivoorkust heeft al langer de aandacht. De meest verrassende uitkomst was de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van kinderarbeid in de koffie- en theeproductie in Tanzania. Daarbij worden kinderen blootgesteld aan zeer gevaarlijke vormen van arbeid, al moet hierbij worden opgemerkt dat nog niet duidelijk is of het hier gaat om incidenten, of dat het probleem wijdverspreid is.
Rapport 2008-057 Agrarische handel van België met ontwikkelingslanden; Toets op duurzaamheid